GRUP Oppervlaktedelfstoffenzone Leem in Zuid-Limburg:
VLAAMS PARLEMENT
SCHRIFTELIJKE VRAGEN
DIRK VAN MECHELEN
VLAAMS MINISTER VAN FINANCIËN EN BEGROTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Antwoord
op vraag nr. 43 van 24 januari 2007
van BART CARON
GRUP "Leem in Zuid-Limburg" - Archeologisch erfgoed
1.
Bij de opmaak van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Leem in Limburg is, waar mogelijk binnen het kader van het Decreet Ruimtelijke Ordening (DRO), aandacht besteed aan de archeologie en het archeologisch erfgoed. Voor RUP's bijvoorbeeld geldt dat er enkel bepalingen in mogen worden opgenomen die strikt in verband staan met de Ruimtelijke Ordening en dat cfr. DRO artikel 38 sectorgerelateerde regelgeving systematisch geweerd wordt.
Bij de opmaak van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Leem in Limburg is, conform Art 2 §3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 11 mei 2001 tot aanwijzing van de instellingen en administraties die adviseren over voorontwerpen van gewestelijke RUP’s, advies gevraagd aan het Agentschap RO-Vlaanderen. Uiteraard heeft het agentschap gewezen op de archeologische potentie van het ganse gebied. In de toelichtingsnota van het ontwerpplan is in het algemeen deel duidelijk aangegeven dat de aangeduide gebieden een hoge archeologische potentie hebben en dat er bijgevolg een verder traject moet worden uitgestippeld vooraleer tot ontginning kan worden overgegaan. Per deelgebied wordt bijkomend nogmaals gewezen op de specifieke archeologische potentie ervan.
In verschillende bezwaarschriften die naar aanleiding van het openbaar onderzoek werden ingediend, wordt gevraagd om de archeologische potentie per deelgebied verder te specificeren en conform de zorgplicht uit het archeologiedecreet de verplichting voor verder archeologisch onderzoek in te bouwen. Vlacoro oordeelde echter, op basis van de hierboven aangegeven argumenten, dat verwijzing in de toelichtingsnota volstond. Deze toelichtingsnota vormt immers het afwegingskader waaraan de concrete vergunningsaanvragen voor de effectieve ontginning en de specifieke project-Mer-studies die hieraan vooraf moeten gaan, zullen worden getoetst. Met andere woorden, in functie van het afleveren van een concrete vergunning zal nagegaan moeten worden of binnen het ganse traject en conform de voorwaarden van het archeologiedecreet op voldoende wijze rekening wordt gehouden met het noodzakelijke archeologische onderzoek.
Overigens werd er, waar dat opportuun was, wel degelijk rekening gehouden met eventuele bezwaren die betrekking hadden op het onroerend erfgoed.
In het oorspronkelijke ontwerpplan was het slagveld van Lafelt effectief opgenomen als te ontginnen zone. Omdat het belangrijkste deel van het slagveld van Lafelt in de Landschapsatlas aangeduid staat als ankerplaats “omgeving van het Iers kruis op de keiberg te Lafelt”, werd dit dan ook niet opgenomen als ontginningsgebied in het voorliggende RUP omwille van archeologische en landschappelijke redenen.
Overigens legt dit meteen één van de grote uitdagingen voor de afstemming tussen archeologie en ruimtelijke ordening bloot. Wanneer voor een duidelijk afgebakende zone de archeologische potentie in kaart is gebracht en gespecificeerd kan worden, dan kan daar in het planningsproces rekening mee worden gehouden. Op dit ogenblik zijn de mogelijkheden daartoe beperkt en precies daarom heb ik, zoals u kan lezen in mijn beleidsbrief, mijn administratie de opdracht gegeven te onderzoeken op welke manier er archeologische potentiekaarten kunnen worden opgemaakt.
Eén van de andere beschikbare hefbomen is de MER-wetgeving. Die bepaalt immers dat voor elk ontginningsgebied een project-MER moet worden opgemaakt. Uiteraard zijn ook de erfgoedconsulenten van het Agentschap RO-Vlaanderen hier nauw bij betrokken. Indien aangewezen zullen zij er dan ook voor zorgen dat concrete maatregelen om het bodemarchief te bewaren dan wel op te graven en te documenteren in de project-Mer worden ingeschreven en eventueel als randvoorwaarde bij het verlenen van de vergunning opgelegd worden conform artikel 105 §1 van het DRO, dat bepaalt dat de vergunningverlenende overheid lasten kan opleggen een verkavelings- of stedenbouwkundige vergunning (in dit geval dus maatregelen ter opsporing van archeologisch erfgoed en behoud ervan ex situ). Het is immers gebruikelijk dat de ruimtelijk relevante milderende maatregelen van het MER aan de vergunning worden verbonden.
2.
De goedkeuring van het GRUP Leem betekent niet dat al deze archeologische sites zonder onderzoek zullen vernield worden, integendeel. Via de eerder besproken hefbomen zal er voor gezorgd worden dat de archeologische sites onderzocht worden.
3.
Uitgangspunt van het verdrag van Malta is behoud in situ als het kan, behoud ex situ als het moet. Concreet betekent dat dan ook dat het bodemarchief het best in de bodem bewaard blijft en dat vooronderzoek en opgraving pas in laatste instantie aangewend worden, wanneer vernieling van het bodemarchief onafwendbaar is.
Het GRUP Leem heeft op dit ogenblik een aantal potentiële leemontginningsgebieden in kaart gebracht. Hierbij kan het zowel gaan om zones die aansluiten bij reeds bestaande ontginningen als om nieuwe gebieden. Voor de keuze van nieuwe ontginningslocaties gelden in de eerste plaats de ruimtelijk kwalitatieve principes als afwegingskader. Bij bepaalde voorgestelde zones kan na toetsing met andere beleidsvelden (milieu, erfgoed etc.) overwogen worden deze niet te ontginnen.
Bijkomend is er een duidelijke volgorde bepaald in de aangeduide ontginningsgebieden. Dat betekent dat een bepaalde zone pas ontgonnen kan worden nadat een aantal andere reeds afgerond zijn.
Het systematisch uitvoeren van vooronderzoeken - met het oog op de detectie van ongekend archeologisch erfgoed - op alle potentiële ontginninglocaties opgenomen in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan is niet aangewezen omdat dan ook terreinen onder handen worden genomen waar uiteindelijk niets op zal gebeuren. Ook graafwerken uitgevoerd in het kader van systematische verkenningen tasten het bodemarchief aan en komen de mogelijke aanwezige archeologische erfgoedwaarden niet ten goede in het kader van een behoud in situ, wat uiteindelijk de kern is van het Verdrag van Malta.
In functie van het opmaken van een project-MER en met het oog op het in kaart brengen van het afwegingskader inzake erfgoed, kunnen in een eerste fase best minder ingrijpende detectiemethodes aangewend worden, zoals veldkartering (het afstappen van terreinen), luchtfotografische verkenningen of de toepassing van geofysische prospectiemethodes.
Voor de terreinen die dan uiteindelijk wel in aanmerking komen voor ontginning kan de volgende stap dan bestaan uit het uitvoeren van bijvoorbeeld proefsleuvenonderzoek, .waardoor beter inzicht kan worden verworven in de aard en de omvang van het bodemarchief. Op basis van de resultaten kan dan een grondig plan van aanpak worden opgesteld met duidelijkheid over de wijze van opgraven, de tijd die daar moet voor uitgetrokken worden, de financiële consequenties,...
Overigens nog dit: de vermoede resten van Neanderthalersites uit het paleolithicum bevinden zich onder een dik pakket löss, vaak meer dan 5 meter diep. Preventief onderzoek door middel van sleuven is dan vaak ook niet mogelijk of aangewezen. Technisch kan het wel (cfr. een aantal voorbeelden uit Frankrijk), maar alleen al qua kostprijs is deze manier van werken quasi onbetaalbaar. Archeologen met de nodige ervaring terzake zijn het er dan ook over eens dat de beste manier voor dit soort sites het opvolgen van de werken tijdens de ontginning zelf is. Uiteraard moeten er binnen het traject dat voor de archeologie wordt uitgestippeld wel voldoende garanties zijn dat de nodige tijd, ruimte en financiële middelen worden voorzien om de sites adequaat op te graven, bijvoorbeeld door er voor te zorgen dat in geval van archeologische vondsten de ontginning op andere plaatsen in het gebied kan worden voortgezet.
