Archeologisch Forum

Documentatie 2012

Archeologisch Forum 2012, synthese namiddagdebat

Wie zoekt die vindt? Over de zin en onzin van het archeologische vooronderzoek

Presentaties

  • Wim De Clercq (Universiteit Gent): On-site of No-site ? Evolutie en toepassingsgrenzen van intrusieve prospectiemethoden voor rurale landschappen in Vlaanderen
  • Tim Vanderbeken (ZOLAD+): Is het gras groener aan de andere kant van de proefsleuf? Enkele bedenkingen en alternatieven uit Haspengouw
  • Bart Robberechts (Dienst Archeologie Stad Mechelen): ALTIJD PRIJS! Proefsleuven in de stad
  • Philippe De Smedt (Universiteit Gent): Geofysische

Debat

Panel: Wim De Clercq (UGent), Philippe De Smedt (UGent), Eelco Rensink (Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Nederland), Bart Robberechts (stad Mechelen) & Tim Vanderbeken (ZOLAD+)

Moderator: Wim De Baere (FVA)

Inleiding

’Archeologische prospectie met ingreep in de bodem’ is al een hele tijd een vaste waarde in het archeologisch proces. Wanneer een nieuw bouwproject op stapel staat, wordt met zo’n prospectie gekeken welke sporen de ondergrond verbergt en of het de moeite waard is om over te gaan tot een definitieve opgraving. Dit lijkt de normaalste zaak van de wereld, maar is dat ook zo? Hoe gaan we om met volledige huisplattegronden die tussen proefsleuven blijken te liggen? Heeft prospectie in een historische stadskern wel steeds zin? Kunnen we op basis van beperkte sonderingen de archeologische waarde van een site op een goede manier evalueren? En vooral: zijn er betere alternatieven te bedenken voor de gangbare methoden en zetten we de bestaande methoden wel op de juiste manier in? Deze vragen scheppen de context voor onderstaand debat.

Welke methodes en technieken functioneren optimaal?

  • Standaard proefsleuven zijn niet steeds de beste optie. Elke situatie vereist een aparte aanpak naar in te zetten methode, lay-out en breedte van proefsleuven, oppervlakte percentages (100% in strip-map-sample, 15%, 12%, …), enz.. Zo vergroot de kans tot het correct beoordelen van een gebied sterk met een groter aandeel van de totale oppervlakte die onderzocht wordt (door het gehele percentage op te trekken, kijkvensters aan te leggen, …). Flexibiliteit, aangepast aan de specifieke situatie is dan ook noodzakelijk om het preventieve onderzoek efficiënt te laten verlopen. Hetzelfde geldt overigens ook voor het vervolg op een prospectie. Ook in opgravingen kunnen andere zaken aan het licht komen dan verwacht. De kaders moeten aanwezig zijn om in dat geval het belang van de vondst te evalueren en indien nodig intern op het project te schuiven met tijd en middelen (een voorbeeld hiervan is het paardengraf van Borgharen, voorbeeld Rensinck).
  • Terugkoppelend naar de bijdrage van Wim De Clercq dient een prospectie met ingreep in de bodem gericht te zijn op het beantwoorden van verschillende vragen. Geen enkele techniek is in staat om alle vragen op een goede manier te beantwoorden en daardoor dient gewerkt te worden met een combinatie van technieken (zie ook complementariteit geofysisch onderzoek verderop).

Geofysisch onderzoek

Doorheen het hele debat komt de (mogelijke) bijdrage van geofysisch onderzoek aan bod. Ook door de specialisten wordt benadrukt dat dit type onderzoek geen wonder oplossing is. Het succes is afhankelijk van de context waarin het wordt toegepast en het is dan ook uitermate belangrijk om het in te zetten met voldoende kennis van zaken (vb in stadsarcheologische context). Bovendien vereist een geofysisch onderzoek nadien nog steeds de bevestiging of correcte interpretatie van sporen door middel van proefsleuven of testputten. Er heerst een consensus in de zaal dat geofysisch onderzoek op zijn minst in specifieke gevallen zou moeten kunnen worden opgelegd als onderdeel van het preventieve proces, al blijft de vraag of het
realistisch is om een bijkomende kost te eisen aan ontwikkelaars of aan de maatschappij. Anderzijds hoeft een voorafgaandelijk geofysisch onderzoek niet steeds een bijkomende kost in te houden. Met name in grote landschappen kan het wel degelijk toelaten om gemotiveerde keuzes te maken en zo de kosten voor de daarop volgende prospectie met ingreep in de bodem te beperken. In die zin wordt gesuggereerd dat samenwerking met de landbouwsector potentieel biedt. In het kader van precisielandbouw en het correct opmaken van opbrengstkaarten worden in de Verenigde Staten momenteel grote oppervlaktes in kaart gebracht, evenwel op een minder nauwkeurige schaal dan vereist voor een archeologische prospectie.

Selectie gebaseerd op verwachting

In Nederland wordt sinds lange tijd gebruik gemaakt van verwachtingskaarten. De belangrijkste reden hiervoor is politiek-strategisch van aard: het is immers erg moeilijk om de verplichting voor onderzoek te motiveren in regio’s waar een erg lage verwachting is. In Vlaanderen is het verzet tegen verwachtingskaarten vanuit de sector erg groot. Het onderzoek voornamelijk richten op verwachtingen die gevormd zijn op basis van de huidige kennis is immers een selffulfilling prophecy die bij voorbaat al de groei aan kennis hypothekeert. Dat blijkt trouwens ook uit het voorbeeld van de Nederlandse situatie waar onderzoek in beekdalen jarenlang achterbleef omwille van de lage verwachting. Momenteel beseft men dat zich in deze contexten wel degelijk hoogwaardig archeologisch erfgoed bevindt. In Vlaanderen is het idee van de verwachtingskaarten momenteel dan ook niet aan de orde, en wordt het ook niet meegenomen in het huidige ontwerp van decreet.

Het belang van het beleid

Herhaaldelijk wordt benadrukt dat de sector wel op basis van inhoudelijke argumenten bepaalde zaken kan vragen, maar dat in het preventieve proces die zaken enkel meegenomen worden wanneer ze in het beleid worden opgenomen. Het beleid wordt hier gelijkgesteld met de wetgever, die de regels bepaalt, en de administratie, die de regels toepast. Een algemene consensus op deze dag is het onbegrijpelijke feit dat geen enkele van de dossierbehandelende erfgoedconsulenten aanwezig is, op een studiedag die specifiek handelt over zaken waar zij dagdagelijks mee geconfronteerd worden. Wel wordt vanuit de Vlaamse overheid de vraag gesteld naar de richtlijnen of regels waar de sector specifiek nood aan voelt. Een aantal zaken komen reeds tijdens het debat aan bod:

  • De nood aan transparantie van het archeologisch proces. De opdrachtgevende partij (de ontwikkelaars) hebben immers nood aan een overzichtelijk plan voor het onderzoek dat hen wordt opgelegd. Dit zou kunnen uitgewerkt worden in de richting van protocollen.
  • Inpassen van voldoende flexibiliteit in het proces, om in te kunnen spelen op de specifieke noden van een dossier. Hierbij kan terug verwezen worden naar de complementariteit van de verschillende technieken en methodes die optimaal ingezet dienen te worden in die situaties waarvoor ze een meerwaarde betekenen. Momenteel wordt door de sector aangevoeld als zouden standaarden overal worden toegepast ook al is in die specifieke situatie een andere aanpak efficiënter of noodzakelijk.
  • Hoe kan het proces van de bestekken/bijzondere voorwaarden worden geoptimaliseerd? In Nederland worden deze (PVE) door derden opgemaakt en goedgekeurd door de overheid. Dit laat de overheid toe om in te zetten op de projecten waar ze een groter belang aan hecht. In Vlaanderen lijkt de wetgever een gelijkaardige richting uit te gaan met het instrument van de archeologienota. Deze is op te stellen op initiatief van de ontwikkelaar en goed of af te keuren door de bevoegde instanties bij de gewestelijke of lagere overheid. De vraag wordt gesteld in hoeverre de Vlaamse administratie uitgerust is om dit proces op een goede manier uit te voeren.

 

zaterdag
29
juni 2013
Reacties uitgeschakeld voor Documentatie 2012
This entry was posted in Archeologisch Forum, Documentatie. Bookmark the permalink.

Comments are closed.