FVA header

Het ROC-model:

Voorstel basisstructuur:
"Management archeologisch onderzoek in uitvoeringsfase"

Inleiding

In de heersende discussie in de klankbordgroep “Malta” dient essentieel de bouw van een nieuwe en vooral kwaliteitsvolle archeologiebeoefening voorop te staan, eerder dan een fixatie mbt financieringswijzen, of een “wie doet wat (niet)”-discussie. Essentieel is om kwaliteit te definiëren en ze ook bij uitvoering verzekerd te stellen. Dat laatste kan ondermeer door het opstellen van een zgn “pve”, al liggen de kiemen van een succesvolle kwaliteitsontwikkeling en pve-toepassing vooral in de (h)erkenning van enkele basisprincipes die maken dat (sommige delen) van onze huidige archeologie zo kwaliteitsvol zijn als men in het buitenland beweert dat ze zijn (in die Beschrenkung zeigt sich der Meister).

Periode-specifieke kennis en –ervaring (1), regio- of bodemspecifieke kennis en –ervaring (2) en de continïteit in het archeologie-proces (3) staan hierin centraal. Eén van de grote tekortkomingen in de archeologie van de ons omringende landen, alsdusdanig vaak ook zo ervaren door archeologen uit de respectievelijke sectoren is o.a. de grote mobiliteit van archeologen en bedrijven. Door het gebrek aan ervaring met bepaalde perioden of –nog erger- met de regionale affiniteiten in structuren en materiaal gaat vaak heel wat waardevolle informatie verloren. Legio zijn dan ook de rapporten van opgravingen waarin verschillende deelstudies niet tot een goede synthese worden gebracht, waarin contradictorische zaken voorkomen of waarin de deelstudies niet of nauwelijks op elkaar afgestemd zijn.

ROC-model (Figuur)

Het zou daarom adequaat zijn om in het nieuwe Vlaamse archeologieproces tijdens de uitvoeringsfase deze 3 elementen (Periode-specifieke kennis en –ervaring, regio- of bodemspecifieke kennis en –ervaring en de continuïteit in het archeologie-proces) te verankeren en veilig te stellen, en dit in essentie op het terrein zelf. Daarom zal de overheid in gelijk welk Malta-scenario (overheidsarcheologie, geprivatiseerd of een mengversie) hoe dan ook een forse investering moeten doen.

Ons voorstel is om een dekkend overheidssysteem van regionale onderzoekscollectiviteiten (ROC) te ontwikkelen, of de in sommige gebieden reeds bestaande structuren te (her)organiseren of af te stemmen, die de drie bovengenoemde elementen kunnen waarborgen.
Deze ROC’s kunnen bestaande archeologische diensten zijn of associaties van verschillende diensten. Het zijn in elk geval diensten die specialismen op provinciaal niveau of intergemeentelijk niveau bundelen (subsidiariteitsprincipe – noodzakelijke regionale werking). Ze bevatten elk projectleiders met aantoonbare expertise in alle perioden, al zijn op voorhand vastgelegde associaties met andere diensten mogelijk voor specifieke onderdelen (specialismen, bvb materiaalstudie). Ze regelen bvb. ook de depotwerking.

Essentieel is dat na overleg per gesteld gebied aan de eisen van voldoende aantal specialisten (= projectleiders, periode- of regiomanagers) per regio wordt voldaan (noodzakelijk aantal bvb. wellicht deels bepaald door de graad van economische activiteit in een bepaalde regio). Deze projectleiders, ervaren archeologen met voldoende aantoonbare kennis van de regio, methoden en tijdvakken, volgen een dossier op van op het moment dat de beheerscel (op sturingsniveau = Vlaams niveau, cfr. infra) oordeelt dat archeologie dient geïntegreerd te worden in een project. Ze zijn verantwoordelijk voor de begeleiding en sturing van een project over de verschillende etappes heen (desktop, prospectie, opgraving, verwerking, publicatie) en zorgen voor de organisatorische maar vooral ook de inhoudelijke continuïteit van een project (en continuïteit tussen diverse projecten). Ze begeleiden en sturen de uitvoering op het terrein en zitten als werfbegeleider op de werf. Zij zorgen ervoor dat de rapporten binnen de gestelde termijn geleverd worden en coördineren de realisatie ervan. Bij dit alles wordt in het midden gelaten of (voor-)onderzoek door de overheid of door een privé-bedrijf wordt uitgevoerd. Wel wensen we te benadrukken dat vanuit de meeste geledingen van het archeologisch veld een overheidswerking voorop gesteld wordt. Archeologie is een zaak van algemeen belang en ondertekenden drukken dan ook de wens uit de sturing en uitvoering van het archeologieproces in eerste instantie aan de overheid te laten. Dit sluit een gedeeltelijke marktwerkjing niet uit, bvb. wanneer door omstandigheden overheden het archeologisch onderzoek niet kunnen uitvoeren en beslissen een opdracht uit te schrijven. De eerste optie blijft evenwel ‘overheidsarcheologie’. Deze visie beantwoordt bovendien aan de resultaten van de opiniepeiling, recentelijk uitgevoerd door het Forum Vlaamse Archeologie. Uit deze bevraging, waar een zeer ruime meerderheid van de in Vlaanderen werkzame archeologen ( + 75 %) aan deelnam, bleek dat marktwerking geen taboe is, maar daar wordt onmiddellijk de ongerustheid voor kwaliteitsverlies aan gekoppeld. Uit de resultaten van de opiniepeiling blijkt een meerderheid van de respondenten dan ook heil te zien in een systeem waarbij de overheid een sturende en uitvoerende rol speelt, met de mogelijkheid om indien nodig opdrachten uit te schrijven. Het hier beschreven ROC-model laat dergelijke werking toe.

Verantwoordelijkheid ten aanzien van het hoger niveau (Vlaams niveau)
De beslissing tot het uitvoeren van een opgraving die eventueel dient genomen te worden na een vooronderzoek en rapportage en de beoordeling van de kwaliteit van het geleverde werk dient echter niet op het ROC-niveau te liggen. Deze verantwoordelijkheid ligt wél op het sturingsniveau (beheer) en bij de kwaliteitscommissie (=Vlaams niveau).
Projectleiders leggen inhoudelijk en methodologisch verantwoording af bij het sturingsniveau. Dit sturingsniveau koppelt echter voortdurend naar het uitvoeringsniveau terug. De af te leggen verantwoording is constant en gebeurt tov een orgaan van de toezichthoudende overheid dat op kwaliteit en fondsenverdeling moet toezien en dat ook handhavend kan optreden tov de ROC of de projectleider.
Vanzelfsprekend legt de projectleider verantwoordelijkheid af. Een projectleider moet echter ook als het ware een levende ‘pve’ kunnen worden die ifv de noodzaak toelaat dat van bestekken wordt afgeweken. Dit moet bijvoorbeeld garanderen dat bij onvoorziene maar belangrijke wetenschappelijke vondsten en sites een surplus aan mogelijkheden (technisch-financieel-inhoudelijk) kan gegenereerd worden. Dit gebeurt uiteraard steeds in overleg met de sturingscel op Vlaams niveau. De overheid draagt bij onverwachte meerkost immers de verantwoordelijkheid en de kosten.

Sturingsniveau

Sturing is gelegen op Vlaams niveau en omvat cellen beleid (BEL), beheer (BEH), faciliteiten (FAC) en het Vlaams Archeologisch Fonds (VAF). De re-activering van het Vlaams Archeologisch Fonds kan de Malta-gegenereerde gelden in een soort ‘pool’ opvangen, waarna ze gekanaliseerd worden door de sturingscel over de verschillende projecten (beheersmatig maar ook synthestiserend wetenschappelijk onderzoek!).

De beheerscel beheert in nauw overleg met RO de verschillende dossiers en ‘attestaflevering’ en oordeelt samen met de kwaliteitscel over de noodzaak van verder onderzoek na waardering (desktop, proefsleuven, enz…). De beheerscel stelt het pve op (3 fasen: vooronderzoek, onderzoek, verwerking).
De beleidscel ondersteunt de politieke beleidskeuzes inhoudelijk en voert beleidsondersteunend onderzoek uit, evalueert en genereert beschermingsdossiers. De cel faciliteiten moet zorgen voor de noodzakelijke centralisatie van data, de publicatie en vulgarisatie ervan, maar kan ook voorzien in een centrale bibliotheek of het verzamelen van functies die door de ROC niet gedragen worden, bvb. natuurwetenschappen, landmeetkunde, andere specialisaties.

Kwaliteitscommissie

Een kwaliteits-handhavingscel op Vlaams niveau oordeelt over de inhoudelijke, methodologische en vormelijke kwaliteit van het door het sturings- en uitvoeringsniveau geleverde werk. De cel is onafhankelijk, bezit een vast secretariaat en dagdagelijkse uitvoerders maar wordt aangestuurd door een aan termijnen gebonden cel van bestuurders (soort raad van wijzen).