FVA header

GRUP Oppervlaktedelfstoffenzone Leem in Zuid-Limburg:

VLAAMS PARLEMENT
SCHRIFTELIJKE VRAGEN

DIRK VAN MECHELEN
VLAAMS MINISTER VAN FINANCIËN EN BEGROTING EN RUIMTELIJKE ORDENING

Vraag nr. 43
van 24 januari 2007
van BART CARON

GRUP "Leem in Zuid-Limburg" - Archeologisch erfgoed

Op 22 september 2006 heeft de Vlaamse Regering het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) "Oppervlaktedelfstoffenzone Leem in Zuid-Limburg" definitief vastgesteld. Dit GRUP heeft betrekking op grote delen van het grondgebied van de gemeenten Bilzen, Hasselt, Hoeselt, Lanaken, Nieu-werkerken, Riemst en Sint-Truiden.

Verschillende van deze gebieden zijn historisch en archeologisch zéér waardevol te noemen. In de regio worden al jaren diverse ingrepen in de bodem, zo goed en zo kwaad het kan, archeologisch opgevolgd. Telkens weer maken de resultaten van dergelijk kleinschalig onderzoek de enorme archeolo-gische rijkdom van het gebied duidelijk.
"Dankzij het nieuwe GRUP zal dit collectief verleden van Vlaanderen - naar schatting honderden ha - weldra ongedocumenteerd kunnen verdwijnen in baksteenproducten en verdwijnt hiermee een verleden van Europees belang" dat schrijft althans het Forum Vlaamse Archeologie vzw in een open brief.

Volgens het Forum bevinden zich in de nieuw aangeduide grootschalige ontginningsgebieden zonder de minste twijfel talrijke archeologische sites die dateren uit het Neolithicum, de Bronstijd, de IJzertijd, de Romeinse en de middeleeuwse periode. Al deze archeologische sites bevinden zich op een zeer geringe diepte, waardoor de minste afgraving een vernielend karakter heeft. En juist in deze gebieden worden grootschalige ontginningen geplant. De problematiek is echter nog een stuk groter: op diepere niveaus in de leem rond Riemst, Bilzen en Lanaken bevinden zich nog veel oudere bewoningssporen: namelijk kampplaatsen van Neanderthalers die ongeveer 100.000 jaar geleden in dit gebied rondtrok-ken. Ook deze sites, die niet op voorhand kunnen worden getraceerd, zullen ten prooi vallen aan de nieuw geplande leemontginningen.

Nog maar enkele jaren geleden hebben noodopgravingen in een leemgroeve in Lanaken/Veldwezelt het enorme belang van deze Neanderthalernederzettingen duidelijk gemaakt en ook aangetoond dat dit Vlaams archeologisch erfgoed van een uitzonderlijk Europees belang is. De vondsten haalden de nati-onale en internationale pers, en naast meer dan 500 wetenschappers uit binnen- en buitenland zakten ook duizenden geïnteresseerde landgenoten af naar de provincie Limburg om de opgravingen te be-zoeken. Een tentoonstelling rond Neanderthalers, in het Provinciaal Gallo-Romeins Museum in Tongeren, telde om en bij de 150.000 bezoekers!

En er is meer, veel meer. In het ontginningsgebied Kesselt bevindt zich een groot deel van het histori-sche slagveld van Lafelt. Op 2 juli 1747 werd hier een enorme veldslag uitgevochten tussen Frankrijk en Oostenrijk, in het kader van de Oostenrijkse Successieoorlog. Het is de bloedigste veldslag uit de geschiedenis van Belgisch-Limburg met meer dan 18.000 doden. Vermoed wordt dat de ondergrond nog talloze waardevolle overblijfselen bevat, waaronder heel wat massagraven. Het Forum Vlaamse Archeologie meldt ook dat het zijn bezorgdheid over de toekomst van dit militaire erfgoed ook zal meedelen aan de ambassades van Frankrijk, Ierland, Oostenrijk, Engeland en Nederland, landen die allen erg nauw en rechtstreeks verbonden zijn met dit verleden.

Een citaat uit het persbericht: "Het nieuw vastgelegde GRUP is de doodsteek voor het aanwezige archeologische erfgoed en een vrijgeleide voor de leemontginningen. De Vlaamse overheid en in het bijzonder de Vlaamse Minister Dirk Van Mechelen - bevoegd voor archeologie - hebben ondanks de onderzoeksresultaten uit het verleden en de talrijke waarschuwingen uit het werkveld nagelaten om de zorg voor dit nog ongeschreven verleden van Vlaanderen mee te nemen en te vertalen in de bepalingen van dit nieuwe Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan. Noch met eerdere bezorgdheden van het Forum Vlaamse Archeologie, noch met de bezwaren van de gemeenten Lanaken, Riemst en Bilzen, uitgebracht in het kader het openbaar onderzoek, noch met de geest van het Europese Verdrag van Malta (door de Vlaamse regering op 30 januari 2002 ondertekend maar tot op heden nog steeds niet geratificeerd) is rekening gehouden."

Er zijn in het GRUP geen duurzame randvoorwaarden of bindende bepalingen rond archeologie in de voorschriften opgenomen. In de tekst wordt wel verwezen naar het feit dat "een archeologische opvolging van de ontginning is aangewezen" en "dat de cel Archeologie van de Afdeling Monumenten en Landschappen daarvoor kan contact opnemen met de betrokken steenbakkers". Maar er zijn geen bindende bepalingen inzake archeologie.

De gevolgen zullen zich laten voelen:

- of men wordt op de vooravond van de start van de leemontginning via een stedenbouwkundige ver-gunningsaanvraag geconfronteerd met een advies archeologie;

- of men zal pas met de archeologische wetgeving (zorgplicht) geconfronteerd kunnen worden op het ogenblik dat er tijdens de ontginningen archeologische vondsten aan het licht komen.

Geen van beide situaties is goed.

Op 8 november stelde collega Peumans een actuele vraag over dit thema (Handelingen plenaire vergadering nr. 8 van 8 november 2006, blz. 8-10). In het antwoord van de minister in de plenaire vergadering doet hij uitspraken die mijns inziens haaks staan op eerdere uitspraken die hij in de commissie heeft geformuleerd. Bovendien is het handelen van de administratie Ruimtelijke Ordening (RO) in het dossier “RUP Leemontginningen” duidelijk in tegenspraak met de eerdere beloftevolle intenties die de minister op parlementaire interpretaties had geuit. In de argumentatie die thans gevolgd wordt, in navolging van de memorie van toelichting van het decreet RO, zou het niet mogelijk zijn om bindende bepalingen op te nemen in RUP's, want sectorale materie zou zo “inbreken” in het decreet RO. Dit valt dan toch moeilijk te rijmen met de antwoorden van de minister in de commissie, waar hij stelt "hefbomen uit de ruimtelijke ordening" hiervoor te willen gebruiken. Evenwel geeft hij in zijn antwoord aan de plenaire vergadering niet aan welke richting men uit wil met de vermelde "hefbomen".

In de nieuwe beleidsbrief 2006 – 2007 maakt de minister melding om de mogelijkheid te onderzoeken archeologische stedenbouwkundige voorschriften uit te werken, met andere woorden bindende bepalingen. Relevant is dat enkel de artikels van het decreet zelf afdwingbaar zijn, een memorie van toelichting daarentegen geeft veeleer de geest van het decreet weer, maar is juridisch niet afdwingbaar en kan dus in dit geval geen belemmering vormen om toch bindende bepalingen op te nemen, in afwachting van een vernieuwd archeologiedecreet. Eenmaal dit decreet van kracht is, kan de tussentijdse oplossing eventueel opgeborgen worden.

Ook zijn een aantal andere aspecten in het antwoord van de minister aan collega Peumans niet duide-lijk. Bijvoorbeeld: de mededeling omtrent de zogenaamde verwachtingskaarten/potentiekaarten schept verwarring. De uitspraak aan het einde van het antwoord dat een vooronderzoek op een volledige zone haaks zou staan op Malta is vanuit inhoudelijk-archeologisch oogpunt niet correct. Aangezien nog geen tien procent van het archeologisch erfgoed bekend is, is een inventarisatie op een volledige zone (de wijze waarop kan variëren) juist een noodzaak. De interpretatie en doel van de uitspraken over de verwachtingskaarten zijn in dit opzicht niet onbelangrijk.

Dat is een bizarre gang van zaken als men weet dat zowel de archeologische wereld als de verschillen-de betrokken sectoren (aannemers, projectontwikkelaars, ontginningen enz.) meer dan ooit vragende partij zijn om de hierboven geschetste scenario's te vermijden.

Onder meer het Forum is hard voor de minister. Ze spreken over een beleid van holle woorden zonder de minste daden. Ze verwijzen daarvoor naar antwoorden op vragen die onder andere ikzelf stelde. Vooral de gemiste kansen ten gevolge van de dubbele bevoegdheid, Ruimtelijke Ordening en Erfgoedzorg, moeten het ontgelden.

Ook de Zuid-Oost-Limburgse Archeologische Dienst (ZOLAD), het intergemeentelijk samenwerkingsverband, reageert verontrust. Zij willen duidelijkheid over de wetenschappelijke opgraving en verwerking van deze site, en willen een regeling met de ontginners in de streek om de archeologische opvolging van vindplaatsen in ontginningsgebied te garanderen.

1. De minister zei op 26 januari: "We beschikken over veel hefbomen in het vergunningen- en planningsbeleid. De kunst zal zijn om die instrumenten te integreren en de zaken op een efficiënte en aanvaardbare manier op elkaar af te stemmen."

Hoe heeft de minister deze instrumenten geïntegreerd in de beslissing rond het GRUP Oppervlaktedelfstoffenzone Leem in Zuid-Limburg?

Welke hefbomen heeft de minister hier voor ogen?

2. Hoe denkt de minister de grootschalige vernielingen van al deze archeologische sites op te vangen, nu dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan door de Vlaamse Regering is goedgekeurd?

3. Er wordt voorgesteld om voor het hele gebied een vooronderzoek te starten.

Op welke wijze zal archeologisch vooronderzoek gedaan worden?

En hoe staat dit volgens de minister haaks op het Verdrag van Malta?

(www.vlaamsparlement.be)

terug